|
Gedichten

Spreuk
Ieder
schilderij blijft uniek, want er wordt er maar één van vervaardigd.
Windekind
Vrijer
als de wind
Vreugdevol ontstaan
Penseel
en kleurentint
Vormen in het gaan
Ontluikende
contouren
Tevreden en bemind
Laten mij
vervoeren
Als een windekind
(Cassandra
van der Wende)
Hij
slaat op wat hij ziet
en geeft het vorm
Hij
bewaart wat hij hoort
en geeft het een woord
Hij
neemt waar wat hij voelt
en geeft het kleur
De
kunstenaar
hij legt zijn binnenste
buiten
De
schilder en het doek
De
schilder, op de rand van't niet gekomen
heeft voor het laatst penseel en inkt genomen
en
schilderde, uit water, roet en licht
de waaier van een eindeloos vergezicht:
twee
vogels die de lege ruimte vangen
boven de bergtop waar de wolken hangen,
het
oeverriet, gebogen in de wind
over het water waar de dag begint,
daartussen,
aan de regen volgedronken,
het hoogland in zijn spiegelbeeld verzonken,
en toen,
over de wijde voorgrond heen,
liep hij zijn landschap binnen, en verdween.
(H.L.
Prenen)

Penseel
en beitel
Waar
wit en rood de schoonheid maakt,
Het gloedje dat in ’t oogje blaakt
Het goud of git om blanke. slapen,
Het rozemondje, ’t hagelwit,
Ontdekkende van ’t gaaf gebit
En als tot lach en kus geschapen:
Daar
grijp de Schilder naar ’t penseel,
En doe ’t lief voorwerp op ’t paneel
In al zijn glans en frischheid pralen
Verzekerd dat zijn fraai portret,
Elk zinlijk hart in vlammen zet
Maar
waar de schoonheid van ’t gelaat
In ’t eedle van den vorm bestaat
In d’ eenvoud van zijn grootsche trekken
Waar de adel van een fiere ziel,
Zich uitdrukt in ’t volmaakt profiel,
Om eerbied en ontzag te wekken:
Daar is het schildren niets gedaan,
Daar grijp de Kunst den beitel aan,
En doe in ’t reinste marmer blinken
Wat meer dan marmer waardig is,
Waarbij wat kleur hoeft en vernis,
Met al zijn liefs, in ’t niet moet zinken.
Als
’t uit zijn gulden lijst zal stralen.
(
Nicolaas Beets )
Schilderen
aan het strand
Zwart
en wit, de tuben uitgeknepen,
Mengt de schilder op het bruin palet ;
Voor de jeugd wat ongewone pret,
Nu ze toekijkt, de oogen half geknepen !
Ach,
dat schilderen heeft men ras begrepen ….
Hier een veegje en ginds een pik, een spet,
Hoedjes, die hij vlug op hoofdjes zet,
Voven boezelaars ; witte kronkelstrepen.
Toch,
de pink heeft, meent men, groene boorden,
Hij maakt grijzen ; dan in strik en lis
Hangen kabeltouwen : - hier zijn 't koorden.
Ook
de kleur der starren vindt men mis ….
Maar het blijven woorden, woorden, woorden
Voor den schilder, die een vreemdeling is !
( Jacob
Winkler Prins)
We
schilderen een vogel
Eerst schilderen we een kooi
met het deurtje open
dan schilderen we
iets leuks
iets eenvoudigs
iets moois
iets nuttigs…
voor de vogel
dan zetten we het doek tegen een boom
in een tuin
in een bos
of in een woud
we verbergen ons
achter de boom
zeggen niets
bewegen niet…
Soms komt de vogel snel
maar het kan ook jaren duren
voordat hij zover is
We geven het niet op
we wachten
we wachten desnoods jarenlang
of de vogel nu vlug komt of niet
dat doet er niet toe
dat heeft niets te maken
met het lukken van het schilderij
Wanneer de vogel komt
als hij dus komt
moeten we heel erg stil zijn
we wachten tot de vogel de kooi ingaat
en als hij erin zit
sluiten we zachtjes met ons penseel het deurtje
en dan
wissen we de tralies uit een voor een
en zorgen ervoor geen veertje van de vogel te raken
Dan schilderen we de boom na
de mooiste tak
is bestemd voor de vogel
ook de groene bladeren schilderen we en de frisheid
van
de wind
de zonnestofjes
en het geluid van de dieren in het gras in de
zomerhitte
vervolgens wachten we tot de vogel gaat zingen
Als de vogel niet zingt
is dat een slecht teken
een teken dat het schilderij slecht is
maar als hij zingt is dat een goed teken
een teken dat je kunt tekenen
dan trek je zachtjes zachtjes
een veer uit de vogel
en daarmee zet je je naam in een hoek van het doek.
(
Wim Hofman)

Copyright
© Atelier Windekind 2012
|